Wikia


AaltjesEdit

Stengelaaltje

Het stengelaaltje of Tylenchus dipsaci leeft in de bovengrondse stengels, knollen, bollen en bladeren, maar hij wordt nooit gezien in de eigenlijke wortels. De besmetting gebeurt zowel door de larven als door de volwassen aaltjes, vanuit de grond of langs de huidmondjes van de ene plant naar de andere. De vrouwtjes leggen hun eitjes in plantenweefsels en eenmaal de larven uitkomen, blijven zij in de plant voortwoekeren of bijten ze zich een weg door de weefsels heen en kruipen in de grond om nieuwe planten te besmetten. De schade die het stengelaaltje aanricht is afhankelijk van de plantensoort. De schade kan zich kenmerken als een abnormale ontwikkeling, het uitgroeien in de breedte in plaats van in de hoogte, waardoor de aangetaste planten korter en breder zijn dan de gezonde ontwikkeling van stengels aan de voet van de plant, het bladgroen kleurt donkerblauw, en tenslotte sterven ze af.

De bestrijding kan op volgende manieren uitgevoerd worden :

1) Verwijder en vernietig de besmette planten.

2) Doe regelmatig aan vruchtwisseling.

3) Ontsmet de grond

4) Sterk bemesten met kalisulfaat en ammoniaksulfaat.


Wortellesieaaltje

Het wortellesieaaltje of Pratylenchus penetrans leeft in de wortels van de plant. Ze dringen de plant binnen via de wortelharen. Ze leven heel eenvoudig. De vrouwtjes die bevrucht werden leggen 1 à 2 eitjes per dag in het aangetaste deel en soms ook in de grond. Ieder vrouwtje kan tot 40 eitjes leggen. Het aaltje ondergaat vier vervellingen : de eerste gebeurt als ze nog in het ei zitten, en na nog drie maal een vervelling te ondergaan, worden ze volwassen. Bij een temperatuur van 18°C kan het diertje zeven weken leven. Afhankelijk van de temperatuur en de teeltduur kunnen in ons klimaat 3 tot 5 generaties per jaar voorkomen. Het aaltje overwintert in de grond of in het aangetaste weefsel.

De schade bestaat uit pleksgewijze achterstand in de groei, de aangetaste planten blijven klein, zijn dof, donker van kleur en sterven vaak vroeger af. Doordat de planten een slechte beworteling krijgen, verschijnen symptomen van gebreksziekten, en ze zijn gevoeliger voor droogte. Op de aangetaste wortels zie je langwerpige, geelbruine tot zwarte, afgestorven plekjes verschijnen. Dit zijn de "lesies". De plant maakt soms nieuwe wortels voor deze lesies, waardoor ze een bossig wortelstelsel krijgen. Later in het seizoen of bij ernstige aantasting, gaan de wortels bij de lesies rotten en afbreken.

Omdat het aaltje een uitgebreide reeks waardplanten heeft, is het niet eenvoudig om het te bestrijden. Het vermeerdert zich vooral op kruisbloemigen en ganzevoetachtigen. Bestrijding voor grondontsmetting met fumiganten (dit zijn vluchtige nematiciden die zich als gas door de bodem verspreiden) is aan te raden.


Wortelknobbelaaltje

Het wortelknobbelaaltje overwintert in eiproppen, of als juvenielen (jonge, onvolwassen aaltjes). Ze worden actief als de bodem een temperatuur heeft van meer dan 8°C. Ze dringen de waardplant binnen via de wortels, net achter het wortelmutsje. Eenmaal ze binnen zijn, begeven ze zich door de wortelschors naar de verscheidene cellen. Op de grens van vaatbundels worden schorscellen aangezet die reuzecellen ontwikkelen waarmee de aaltjes zich voeden. Als gevolg van de extra celdeling in de schors, zwelt het wortelweefsel op, waardoor wortelknobbeltjes ontstaan. De vrouwtjes worden niet altijd bevrucht, maar ze leggen wel 200 tot 500 eitjes in een gelatineachtige massa buiten het lichaam. Na een tijdje verkleuren de eiproppen naar bruin, en zien ze eruit als speldekoppen. Nadat de vrouwtjes afgestorven zijn, vind je ze vaak terug in de grond. Bij een bodemtemperatuur van 18°C leven de diertjes 8 weken, bij een temperatuur lager dan 17°C duurt het langer voor de eieren uitkomen. Afhankelijk van de temperatuur en de teeltduur, komen er in ons land 1 à 2 generaties voor.

De bovengrondse symptomen zijn niet kenmerkend. Afhankelijk van de besmettingsgraad en de gevoeligheid van de plant, komt het gewas meer of minder achter in groei, en vertoont het een grotere gevoeligheid voor droogte. Op de aangetaste wortels zijn karakteristieke knobbeltjes te zien, waaruit vaak spinvormige zijworteltjes groeien.

Chlorose-verschijnselenEdit

Stikstoftekort

Stikstofgebrek wordt gekenmerkt door een beperkte groei, het geel worden van bladeren en onvoldoende bloemknopvorming. Planten die stikstofgebrek hebben, zijn vlugger rijp en bloeien veel vroeger dan gezonde planten.


IJzergebrek

Het bladmoes van de jonge bladeren is lichtgekleurd, maar de nerven blijven groen. Bij een erge aantasting kan de plant helemaal geel worden en zelfs afsterven. Dit chlorose-verschijnsel komt voor op gronden die te nat staan of gronden die te veel kalk bevatten.


Boriumgebrek

De bladranden worden papierachtig verbrand, de groeipunten en het hart van de plant sterven af. Dit verschijnsel komt voor op lichte zandgronden en in zeer droge perioden.


Magnesiumgebrek

De oudste bladeren kleuren aan de randen geel en sterven af. Dit verschijnsel komt voor op zandgronden die een te lage pH hebben, weinig stikstof en teveel kali. Meestal in natte seizoenen.









Ad blocker interference detected!


Wikia is a free-to-use site that makes money from advertising. We have a modified experience for viewers using ad blockers

Wikia is not accessible if you’ve made further modifications. Remove the custom ad blocker rule(s) and the page will load as expected.